top of page
  • Instagram
  • X
  • Facebook

Een beleid dat de lat verhoogt, maar de ladder vergeet

Wie de huidige situatie in het Vlaamse onderwijs met een heldere blik bekijkt, kan niet om de groeiende kloof heen tussen wat leerlingen en leerkrachten daadwerkelijk nodig hebben en wat het beleid voorstelt. Scholen worden steeds vaker geconfronteerd met complexe klascontexten, toenemende zorgvragen, uitgesproken sociaal-economische ongelijkheid en een chronisch lerarentekort. Tegen die achtergrond ogen maatregelen zoals het schrappen van pedagogische studiedagen of het opvoeren van controle niet als structurele oplossingen, maar eerder als symptomen van een gebrek aan visie en creatief beleidsdenken.


Als vroegtijdig schoolverlater én als oprichter van een organisatie die jongeren met een afstand tot de arbeidsmarkt versterkt en scholen ondersteunt in hun strijd tegen schooluitval, ken ik beide kanten van dit verhaal beter dan me lief is. Ik heb aan den lijve ondervonden hoe het voelt om uit een systeem te vallen, en zie vandaag hoe datzelfde systeem nog steeds jongeren in diezelfde val duwt.


Toch blijven we hardnekkig spreken over “de jeugd van tegenwoordig”, alsof het om een nieuw fenomeen gaat: alsof het vroeger allemaal beter liep, jongeren gehoorzamer waren, ordelijker, makkelijker. Wie eerlijk terugkijkt, weet dat dit vooral een geromantiseerd beeld is. Er zijn altijd jongeren geweest die worstelden, die informatie anders verwerkten, die moeite hadden met concentratie of met sociaal functioneren. Precies daarom durf ik te stellen dat vroegtijdig schoolverlaten geen eenzijdig probleem is, en zeker geen generatieprobleem.


Nood aan een structureel leer-ecosysteem


Wanneer jaarlijks meer dan 45.000 jongeren het onderwijs verlaten zonder diploma, wachtlijsten in opvang en onderwijs blijven aangroeien, het aantal burn-outs bij leerkrachten volgens de SERV in vijf jaar tijd met meer dan dertig procent is toegenomen, en het lerarentekort zo nijpend wordt dat zelfs basisfuncties niet langer verzekerd zijn, volstaat lapwerk niet meer.


Wat nodig is, is een structureel leer-ecosysteem waarin onderwijs, jeugdwerk, welzijn, sociale zaken en werk samen één samenhangend landschap vormen. Een systeem waarin scholen geen geïsoleerde eilanden meer zijn, maar sterke knooppunten; waarin leren buiten de klassieke schoolmuren volwaardig wordt erkend; waarin leerkrachten opnieuw de tijd en ruimte krijgen om les te geven in plaats van voortdurend crisissen te beheersen; en waarin welzijn en zorg niet pas in beeld komen wanneer het misloopt, maar vanaf het begin volwaardig mee aan tafel zitten.


Toch vertrekken de beleidsvoorstellen van de huidige regering vooral vanuit meer controle en minder vertrouwen in leerlingen en leerkrachten: boekentascontroles, bijkomend toezicht, strengere monitoring en het inschakelen van gedragsexperten om zogenaamd “probleemgedrag” bij te sturen. Het begint steeds meer te lijken op het Amerikaanse model, waar metaaldetectors en bewakingscamera’s prominenter aanwezig zijn dan boeken.


Hoewel zo’n systeem hier nog ondenkbaar lijkt, bewegen we met dit soort maatregelen wel degelijk in die richting. Wantrouwen krijgt stilaan een vaste plaats binnen de schoolcultuur, terwijl net dat vaak het begin is van een neerwaartse spiraal. Toch blijft het beleid geloven dat dit de juiste koers is, net zoals het blijft vasthouden aan elitescholen en een eenzijdige nadruk op “meer discipline”.


Het resultaat laat zich raden: scholen dreigen te verworden tot fabriekjes, leerkrachten tot uitvoerders, en jongeren tot verliezers van het systeem. Dat zal zich onvermijdelijk ook economisch laten voelen, want uniformiteit en het louter verhogen van de lat staan niet automatisch gelijk aan succes.


De ladder ontbreekt en precies daarom haalt niet iedereen de lat


Het pleidooi om “de lat te verhogen” blijft een oneerlijk debat zolang we weigeren te spreken over de ladder die jongeren nodig hebben om die lat überhaupt te bereiken.


Opgroeien is precies dat: stap voor stap vooruitgaan, ondersteund door opeenvolgende treden. Onderwijs, jeugdwerk, welzijn, werk, vrije tijd, buurt en familie vormen elk zo’n trede. Hoe sterker die domeinen met elkaar verbonden zijn, hoe steviger de ladder wordt waarop jongeren kunnen klimmen.


Dat jongeren het meest groeien wanneer die domeinen samenwerken, is al vaak bewezen. We zien dat in werkplekleren, duaal leren, jeugdwerk, welzijn en lokale partnerschappen. Toch blijven zulke initiatieven meestal projectmatig, tijdelijk en afhankelijk van versnipperde middelen. Daardoor ontbreekt de structurele verankering die ze verdienen. Wanneer projecten stoppen — niet omdat ze falen, maar omdat de financiering wegvalt — worden ze ironisch genoeg aangehaald als “bewijs” dat deze aanpak niet werkt. Het gevolg is een reflexmatige terugkeer naar de meest conservatieve onderwijsopvattingen.


Precies dát leer-ecosysteem is de ladder die jongeren nodig hebben: een systeem waarin cross-sectorale samenwerking geen uitzondering is, maar een vanzelfsprekendheid; waarin het leerlandschap wordt opengebroken; en waarin we de klassieke schoolmuren figuurlijk durven slopen.


Laat daar geen misverstand over bestaan: de expertise is aanwezig, de partnerschappen zijn er, en de jongeren staan klaar. Wat ontbreekt, is de politieke moed om het onderwijs fundamenteel te hervormen en om bestaande kennis, samenwerkingen, werkvormen en bewezen praktijken niet langer te beschouwen als vrijblijvende extra’s, maar als de kern van wat modern onderwijs moet zijn.

Opmerkingen


bottom of page