Bosnië blijft vechten over vragen die een moderne staat niet aangaan
Ratko Mladić is dood. De voormalige bevelhebber van het Bosnisch-Servische leger stierf in Den Haag, waar hij een levenslange gevangenisstraf uitzat voor onder meer genocide in Srebrenica, misdaden tegen de mensheid en oorlogsmisdaden. Toch werd zijn overlijden in Republika Srpska, het overwegend Servische landsdeel van Bosnië en Herzegovina, door sommigen haast als het verlies van een nationale held voorgesteld. Milorad Dodik, al jaren de dominante figuur van het Bosnisch-Servische nationalisme, verbond Mladić opnieuw met de ‘vrijheid en het voortbestaan van het Servische volk’.
Die verheerlijking is afschuwelijk. Maar ze zegt ook iets over het soort politiek waarin Bosnië al dertig jaar vastzit. Nog altijd wordt er enorm veel energie gestoken in vragen die een moderne staat eigenlijk niet zou moeten willen oplossen.
Wie zijn onze historische helden? Welke gebeurtenissen bepalen onze identiteit? Hoe Servisch, Kroatisch of Bosniaks is een stad of regio? Welke vlag of feestdag hoort bij wie?
Dat zijn vragen waar mensen en gemeenschappen belang aan mogen hechten. Ze hoeven het er ook niet over eens te worden. Alleen hoeft de staat daar niet telkens een sluitend antwoord op te formuleren.
Bosnië kreeg na de oorlog van 1992 tot 1995 een uitzonderlijk ingewikkelde staatsstructuur. Het vredesakkoord van Dayton verdeelde het land in twee verregaand autonome entiteiten: de Federatie van Bosnië en Herzegovina, voornamelijk Bosniaks en Kroatisch, en Republika Srpska, voornamelijk Servisch. Die constructie hielp een verschrikkelijke oorlog beëindigen. Tegelijk werd etnische identiteit stevig in het politieke systeem gebetonneerd.
Dat merk je nog altijd. Politiek gaat er voortdurend over wie namens welk volk spreekt, welke gemeenschap ‘bedreigd’ wordt met bepaalde beleidsvoorstellen en welke bevoegdheid aan welke groep toebehoort. Bosnië heeft daardoor iets merkwaardigs: een relatief zwakke centrale staat, maar een politiek die zich voortdurend met de identiteit van burgers bemoeit.
Dat is voor politici ook handig. Wie verkiezingen kan herleiden tot de vraag wie ‘ons volk’ het beste beschermt, hoeft minder uit te leggen waarom hervormingen vastlopen, corruptie hardnekkig blijft of zoveel jonge mensen hun toekomst elders zoeken.
De gevolgen zijn zichtbaar. Terwijl Kroatië intussen deel uitmaakt van de Europese Unie, Schengen en de eurozone, blijft Bosnië discussiëren over de aard en soms zelfs het bestaansrecht van zijn eigen staat. Dat kost tijd, vertrouwen en economische kansen.
Vaak volgt daaruit de conclusie dat Bosnië vooral méér eenheid nodig heeft: sterkere nationale instellingen, een duidelijker gemeenschappelijk verhaal, misschien zelfs een steviger Bosnische identiteit.
Ik ben daar niet zo zeker van.

Een staat van burgers
Waarom zouden Bosniakken, Serviërs en Kroaten het ooit eens moeten worden over hun cultuur, religie of nationale gevoelens?
Zwitserland biedt minstens een interessant tegenbeeld. Het is een federale staat waarin de kantons zeer ruime autonomie hebben. Taal, religie en regionale identiteit verschillen er sterk. Toch hoeft een inwoner van Genève niet hetzelfde idee over Zwitserland te hebben als iemand uit Appenzell om binnen dezelfde staat te kunnen leven.
Voor Bosnië zou zo’n logica interessant kunnen zijn. Niet door de bestaande twee entiteiten nog machtiger te maken, maar door ze op termijn te vervangen door kleinere, sterk autonome territoriale kantons. Een deel van Bosnië kent vandaag trouwens al zo’n kantonnale structuur: de Federatie van Bosnië en Herzegovina bestaat uit tien kantons. Een Zwitsers geïnspireerd model zou die logica over het hele land kunnen doortrekken.
Die kantons hoeven niet samen te vallen met één etnische gemeenschap. Sommige zouden overwegend Servisch, Kroatisch of Bosniaks zijn, andere gemengd. Zo verandert ook de politieke schaal. Vandaag wordt bijna elk conflict uiteindelijk een conflict tussen ‘de Serviërs’, ‘de Kroaten’ en ‘de Bosniakken’. Kleinere territoriale eenheden kunnen die drie grote politieke blokken minder absoluut maken.
De federale staat kan zich dan beperken tot wat werkelijk gezamenlijk moet worden geregeld, met daarnaast een stevige gemeenschappelijke rechtsorde die individuele rechten overal beschermt. Daarachter zit misschien een nog belangrijker principe: Bosnië zou in de eerste plaats een staat van burgers moeten worden, en minder een staat van drie volkeren.
Dat is belangrijk, want een ‘Zwitsers model’ mag geen nette verpakking worden voor etnisch homogene gebieden. Een Serviër in Mostar, een Bosniak in Banja Luka of iemand die zich helemaal niet in een van die drie categorieën herkent, moet overal dezelfde rechten hebben. Een moderne staat moet gemeenschappen ruimte geven, niet burgers opsluiten in een gebied waarin ze geacht worden thuis te horen.
Ook historische feiten zijn geen kwestie van autonomie. Dat Mladić voor genocide werd veroordeeld, is geen ‘Bosniakse visie’ waar Republika Srpska een eigen waarheid tegenover kan plaatsen. Maar een Bosnische Serviër hoeft Mladić evenmin als onderdeel van zijn identiteit te aanvaarden om Serviër te zijn.
Dat maakt Dodiks reactie zo problematisch. Door Mladić opnieuw te verbinden met de ‘overleving van het Servische volk’ maakt hij van de verantwoordelijkheid van één man opnieuw een zaak van een hele gemeenschap. Alsof afstand nemen van Mladić betekent dat je afstand neemt van je eigen volk.
Ratko Mladić is dood. De meeste jongeren in Sarajevo, Banja Luka of Mostar hebben zijn oorlog nooit meegemaakt. Het zou bijzonder triest zijn als ook hun politieke toekomst nog blijft draaien rond de vraag aan welke kant ervan zij geacht worden te staan. Prvo građani, onda narodi; eerst burgers, dan volkeren.
Een kortere versie verscheen eerder bij De Morgen: demorgen.be/meningen/bosnie-blijft-vechten-over-vragen-die-een-moderne-staat-niet-aangaan~b44d7be6/





Opmerkingen